2011-05-25

BELGIË- BRUSSEL - Een hard bestaan


Oude vrouw uit Quessant

Charles Cottet,
olieverf op doek
Coll. Musée Charlier



Recente cijfers tonen aan dat één op vijf werkenden in ons land in armoede leeft. Dat klinkt contradictorisch. Horen in de welvaartsstaat van de 21ste eeuw armoede en werk niet tegengesteld te zijn? Veredelt of verknecht arbeid de mens ? Maakt arbeid onafhankelijk en draagt het bij tot een rijker leven of, is arbeid slechts een overlevingsstrategie?

Met deze vragen in het achterhoofd keken we naar de collectie en onderzoeken we hoe beeldende kunstenaars in de 19de en vroeg 20ste eeuw het leven en werk van de medemens hebben uitgebeeld.

In taferelen van het landelijke leven wordt de boerenbevolking tot diep in de 18de eeuw idyllisch voorgesteld, als opsmuk van een onecht landschap. Pas met de opkomst van de openluchtlandschapsschilderkunst groeit de interesse naar een realistische weergave van het harde boerenbestaan. Omstreeks 1840 is de landbouwproductie in ons land hoog, de bevolking talrijk en opgeleid maar veeleer levend in armoede. Charles de Groux geeft de religieuze schilderkunst op om die maatschappelijke realiteit van sociale ongelijkheid en menselijke ellende te tonen. Beïnvloed door Courbet en Millet, oefent hij via de Société Libre des Beaux-Arts, opgericht in 1868, een grote invloed uit op de jongere generatie landschaps- en genreschilders die de rauwe werkelijkheid willen schilderen. Zo Constantin Meunier, die zich, na zijn reizen met Lemonnier, vanaf 1884 zal ontpoppen tot één van de belangrijkste uitbeelders van het industrieproletariaat. Tekorten nopen de bevolking tot het ontwikkelen van overlevingsstrategieën.

Adriaan Heymans’ Jagers in de sneeuw is in tegenstelling tot het impressionistische doek Palingvissers te Genk van Isidoor Verheyden realistisch van voorstelling, palet en tekening.
Jacob Smits’ Gust is een indringend, gestileerd portret van een boer, opgebouwd in talrijke lagen. Ook het oeuvre van Léon Frédéric neemt een aparte plek in.
Zijn Boerenmaaltijd is een haast religieuze voorstelling van een boerengezin levend in harmonie met het landschap.
De toonaarden refereren naar de prérafaellieten. Zijn werk herinnert aan Bastien-Lepage, doch de symbolische haast mystieke weergave primeert op het realisme.
In 1857 omschrijft criticus Castagnary de naturalistische schilderkunst als zijnde monumentale doeken die met een fotografische echtheid de proletarische ontberingen zonder schroom tonen. Hiermee sluit hij aan bij de atavistische familiegeschiedenissen zoals beschreven door Emile Zola.
In België zijn ondermeer Lemonnier en Eekhoud, Buysse en Streuvels naturalistische romanschrijvers.

De landelijke grisailles van Louis Pion zijn hyperrealistische, correcte fotografische weergaven. De schilder besteedt veel aandacht aan de natuurlijke omgeving, een ander aspect van het naturalisme.
Het stedelijk en industrieel proletariaat vormt het belangrijkste onderwerp in het oeuvre van Eugène Laermans.

Vertrouwd met het revolutionaire anarchisme van Kropotkin, schildert hij immense doeken met een massa in beweging zoals in De wandeling, stakers of het onzekere bestaan van landverhuizers. Zijn werk is expressionistisch, zijn figuren vereenvoudigd en ietwat karikaturaal doch weinigen hebben zo treffend de trieste eenzaamheid binnen een groep weergegeven. De oudere dierschilder Joseph Stevens schilderde vijftig jaar voordien vechtende honden als symbool voor de doffe ellende van het stadsproletariaat.
Ook het harde vissersbestaan inspireert kunstenaars. In Frankrijk verkiezen de realisten Bretagne, zo ook Charles Cottet en Lucien Simon. Simons Vissers zijn in volle actie op groot formaat afgebeeld, ze trekken met vereende krachten heldhaftig de netten binnen. Het is een krachtig geborstelde ode aan hun arbeid. Uit de collectie diepen we ook een postimpressionistisch portret van een visser op van Emile Thysebaert. Hij kwam op de Gentse scheepswerf van zijn grootvader op jonge leeftijd in aanraking met de leefwereld van arbeiders, een onderwerp dat hem niet meer zou loslaten.

Een “hard bestaan” is niet louter kommer en kwel, dat blijkt uit de kinderportretten. Er is ook mogelijkheid tot emancipatie en lotsverbetering: de Houthakker van Florent Crabeels leest de krant tijdens een pauze, de Arbeider op stap van Laermans gaat de dageraad tegemoet en Guillaume Charlier verenigt in zijn Monument voor Jules Bara (1903) De arbeid en de studie. De beeldhouwer toont de persoonlijke weg naar de lotsverbetering, hetzelfde jaar keurt het parlement de wet op de arbeidsongevallen goed, één van
de vele stappen die een menswaardiger bestaan beoogden.
Nathalie Jacobs


Charlier Museum   05.04.2011 - 30.09.2011



Website & bron : Charlier Museum

Website : Stad Brussel

FIC123.BE een website met info en cultuur.